Loonsverhoging of dividend? Zo pak je je bezoldiging als medicus fiscaal optimaal aan

Je bezoldiging als medicus fiscaal optimaliseren blijft een ingewikkeld vraagstuk. Dat merkt ook Sofie, een alleenstaande arts binnen haar eigen artsenvennootschap. Gaat ze voor een hoger loon of een gewoon dividend, dan wordt ze daar serieus op belast. Gelukkig bestaan er ook mogelijkheden om fiscaalvriendelijk dividenden uit te keren. We zetten de scenario’s naast elkaar.

Scenario 1: Sofie gaat voor een loonsverhoging

De vennootschap van Sofie boekt jaarlijks € 100.000 brutowinst. Ze beslist om haar jaarloon te verhogen van € 40.000 naar € 45.000. Hoewel de vennootschap met die minimumbezoldiging aanspraak kan maken op het verlaagd tarief, blijkt de loonsverhoging toch een dure operatie. 

Op het loon betaal je namelijk ook gemeentebelasting. Daarbovenop komen de sociale bijdragen, hetgeen  aftrekbare beroepskosten zijn maar het totale kostenplaatje toch flink de hoogte injaagt. 

Jaarloon € 45.000,00 € 40.000,00
Brutowinst € 100.000 € 100.000
Beroepskosten - € 7.055,45 - 7.055,45
Bedrijfsleidersbezoldiging - € 45.000,00 - € 40.000,00
Belastbaar resultaat € 47.944,55 € 52.944,55
Vennootschapsbelasting - € 9.588,91 (20%) - € 13.236,14 (25%)
Nettowinst na belasting € 38.355,64 € 39.708,41
Bezoldiging bedrijfsleider € 45.000,00 € 40.000,00
Beroepskostenforfait (3%) - € 1.350,00 - € 1.200,00
Sociale bijdragen - € 7.612,92 - € 6.767,04
Personenbelasting - € 11.160,57 - € 9.160,62
Netto-bezoldiging bedrijfsleider € 26.226,51 € 24.072,34

Uiteindelijk houdt Sofie € 26.226,51 netto over bij een loonsverhoging van € 5.000, hetgeen netto slechts +/- € 2.000 minder bedraagt dan hetgeen zij netto overhoudt bij een loon van € 40.000. 

Gezien dit bepekte voordeel behoudt Sofie haar huidig loon van € 40.000 en kijkt zij na of het hanteren  van een dividendpolitiek binnen haar artsenvennootschap interessanter kan zijn. 

Scenario 2: Sofie betaalt zichzelf een klassiek dividend uit 

Naast bedrijfsleider is Sofie ook aandeelhouder in haar eigen artsenvennootschap. Bij voldoende winst of reserves kan ze zichzelf dus belonen met een extraatje. Dat doet ze niet – zoals in het vorige scenario – met een loonsverhoging van € 5.000, maar in de vorm van een dividenduitkering. Daarop betaalt Sofie 30% roerende voorheffing. 

Brutowinst € 100.000,00
Beroepskosten - € 7.055,45
Bedrijfsleidersbezoldiging - € 40.000,00
Belastbaar resultaat € 52.944,55
Vennootschapsbelasting (25%) - € 13.236,14
Nettowinst na belasting € 39.708,41
Roerende voorheffing (30%) - € 11.912,52
Netto dividend € 27.795,89
Bezoldiging bedrijfsleider € 40.000,00
Beroepskostenforfait (3%) - € 1.200,00
Sociale bijdragen - € 6.767,04
Personenbelasting - € 9.160,62
Netto-bezoldiging bedrijfsleider € 24.072,34

Ook deze optie valt dus vrij duur uit voor haar gelet op de roerende voorheffing van 30%. Wel bestaan er voor kleine vennootschappen enkele gunstregimes met een verlaagde roerende voorheffing.

Scenario 3: Sofie legt een liquidatiereserve aan

In het algemeen is het niet zo interessant om de winsten van je vennootschap jaarlijks uit te keren – zoals in het vorige scenario. Daarom kiest Sofie ervoor om regelmatig zogeheten liquidatiereserves te boeken op haar balans. Uit die reserve keert ze zichzelf vervolgens dividenden uit. Doet ze dat binnen de 5 jaar na de aanleg ervan, dan betaalt ze 20% roerende voorheffing. Maar na die eerste 5 jaar is dat nog amper 5%.  

Hetzelfde voorbeeld met een brutowinst van € 100.000, hetgeen ze integraal aanwendt voor de aanleg van een liquidatiereserve. Je betaalt daar een ‘afzonderlijke aanslag’ op van 10%.  Later kan je hieruit een gunstig dividend uitkeren aan een lager tarief roerende voorheffing. 

De berekening voor de aanleg van een liquidatiereserve is als volgt:

Brutowinst € 100.000,00
Beroepskosten - € 7.055,45
Bedrijfsleidersbezoldiging - € 40.000,00
Belastbaar resultaat € 52.944,55
Vennootschapsbelasting (25%) - € 13.236,14
Nettowinst na belasting € 39.708,41
Aan te leggen liquidatiereserve € 39.708,41 / 1,1 = € 36.098,55
Afzonderlijke aanslag € 36.098,55 x 10% = € 3.609,85

Indien Sofie dus van plan is om regelmatig dividenden uit te keren, dan legt ze best jaarlijks een liquidatiereserve aan. Houdt ze die 5 jaar of langer onaangeroerd, dan bespaart ze flink op roerende voorheffing. Voor de uitkering van de liquidatiereserves geldt trouwens het FIFO-principe: de oudste reserves moet je eerst uitkeren.

Let wel: een liquidatiereserve is niet altijd de meest interessante optie. Zo kunnen vennootschappen die verliezen met zich meedragen, de opgebouwde liquidatiereserves vaak niet uitkeren. Bij onvoldoende winst is er dan geen (of een veel kleiner) dividend. De afzonderlijke aanslag van 10% is dan voor niets geweest. 

Liquidatiereserve of VVPR-bis?

Onder bepaalde voorwaarden betaal je binnen de VVPR-bis regeling minder dan 20% roerende voorheffing – ook als je geen 5 jaar wacht om jezelf geld uit te keren. Maar voor een periode vanaf 5 jaar is de liquidatiereserve sowieso de voordeligste optie.

Kan je hulp gebruiken bij de samenstelling van je bezoldiging?

Nathalie Put
Nathalie Put