Arts in een groepspraktijk: 4 mogelijke samenwerkingsvormen

In plaats van solo aan de slag te gaan, kiezen steeds meer artsen voor een groepspraktijk. Maar de keuze voor de juiste samenwerkingsvorm vergt wel wat denkwerk. Want wil je enkel de kosten delen of ook de inkomsten? En mogen ook niet-artsen er deel van zijn? In deze blog verkennen we de mogelijkheden.

Waarom loont het om samen te werken? 

Een geschikt pand, het nodige (medische) materiaal, administratieve ondersteuning, opleidingen … Bij een eigen praktijk komen heel wat kosten kijken. Zeker als starter is het dan ook mooi meegenomen als je die kan delen met enkele collega’s. Maar ook als gevestigde medicus haal je profijt uit een groepspraktijk. Zo moet je bijvoorbeeld minder snel nieuwe patiënten weigeren door een overvolle agenda.

Maar samenwerken heeft nog veel meer voordelen. Zo bundel je meer expertise binnen dezelfde praktijk: in je eentje een volledig vak beheersen wordt steeds moeilijker. Ook het persoonlijke plaatje speelt een rol: altijd alleen werken kan heel belastend zijn. Steeds meer artsen zoeken een betere work-lifebalance. De werklast delen met collega’s of je praktijk uit handen kunnen geven als jij met vakantie bent, is dan ook geen overbodige luxe. 

Wel heeft de keuze voor een bepaalde samenwerkingsvorm een aantal juridische en fiscale gevolgen die vaak over het hoofd worden gezien. Denk dus op voorhand goed na over de wijze van samenwerking en de impact hiervan:

1.    Kostenassociatie: enkel kosten delen 

Een kostenassociatie heeft enkel als doel om bepaalde kosten te delen. Je betaalt bijvoorbeeld samen de huur of legt samen voor de aankoop van (medische) apparatuur volgens een onderling afgesproken verdeelsleutel. Deze kosten worden meestal betaald via een gemeenschappelijke rekening waarop de artsen voorschotten storten. Nadien wordt dan bekeken wie welk bedrag bijbetaalt op deze rekening of wie terugkrijgt. 

In een kostenassociatie blijven de inkomsten van alle leden in principe gescheiden en worden deze niet gedeeld. Praktisch kan het wel zijn dat één of meer inkomsten toekomen op de gemeenschappelijke rekening bij wijze van voorschot. Het komt ook voor dat artsen bepaalde inkomsten wel wensen te delen. Laat je zeker vooraf adviseren over de juridische/fiscale voorwaarden voor en implicaties van het delen van inkomsten. 

Alle goederen die via de associatie worden aangekocht, zijn mede-eigendom van de partijen bij de kostenassociatie. Denk bijvoorbeeld aan meubilair, medische toestellen of computers. Juridisch gezien heb je immers geen vennootschap

2.    Middelenvennootschap: ook enkel kosten delen

Ook bij een middelenvennootschap blijven de individuele inkomsten onaangeroerd. Je richt enkel een vennootschap op om de nodige middelen te delen, zoals een praktijkruimte of computermateriaal. Als arts blijf je dus volledig autonoom werken, dus op je eigen getuigschriften.  

Wel zal de vennootschap investeren in materiaal en gezamenlijke kosten maken. Wie ervan gebruikmaakt (dit kunnen vennoten zijn, maar dat hoeft niet), krijgt een factuur vanuit de vennootschap. Er staan dus geen medische prestaties tegenover. Of op deze factuur al dan niet btw moet aangerekend worden, hangt af van tal van factoren.

Wie betaalt de btw?

Draait een associatie of vennootschap op voor de btw? Of de leden? En de ‘vrijstelling zelfstandige groepering’, wat is dat precies en welke voorwaarden zijn eraan verbonden? De btw-wetgeving bij samenwerkingsvormen is een bijzonder belangrijke en complexe aangelegenheid en kan een grote impact hebben op het financiële plaatje. Vraag daarom eerst uitgebreid advies aan je accountant.

3.    Ter beschikking stellen van infrastructuur 

Artsen stellen vaak eigen infrastructuur ter beschikking aan collega’s in ruil voor een vergoeding. Dat kan een vast bedrag zijn per maand of een bedrag gebaseerd op het ereloon. De samenwerking beperkt zich dus juridisch tot een vergoeding voor het gebruik van de infrastructuur. Verder blijft elke arts op zijn of haar eigen boekjes werken en behoudt iedereen zijn of haar eigen inkomsten

Wie die de vergoeding ontvangt, blijft eigenaar van het materiaal en de apparatuur. Deze vergoeding is duidelijk geen vergoeding voor (para-)medische prestaties. De btw zal dan ook een rol spelen. De kans is reëel dat op een deel of op de gehele vergoeding btw zal moeten worden aangerekend.

4.    Werkvennootschap

In een werkvennootschap of professionele vennootschap bundel je intens de krachten met collega-artsen. Al het materiaal en infrastructuur worden aangekocht door de vennootschap, die ook alle kosten betaalt. Daarnaast int de vennootschap alle erelonen. Je ontvangt een vergoeding voor het geleverde werk en deelt als aandeelhouder in de winst. De boekjes staan ook op naam van de vennootschap. 

Zo kan je met enkele zelfstandige artsen een BV oprichten. Op alle officiële documenten (bv. inkomende facturen, medische getuigschriften) gebruik je de officiële naam van je vennootschap.

Opgelet: laat je steeds vooraf adviseren over de juridische/fiscale voorwaarden voor en implicaties van het delen van inkomsten, inclusief erelonen, onder artsen. Artsen kunnen immers onder de huidige regelgeving niet zomaar inkomsten gaan delen.

In de praktijk stellen we vast dat veel samenwerkingen niet geheel correct juridisch of fiscaal georganiseerd zijn. Je werkt samen met collega's, maar weet niet juist onder welke vorm. Nochtans heeft elke samenwerkingsvorm zijn specifieke gevolgen. Breng dus op voorhand duidelijk de wensen van alle partijen in kaart en bekijk welke samenwerking er het beste op aansluit en wat de juridische en fiscale gevolgen zijn.

Overweeg je in een groepspraktijk te stappen of wil je een bestaande samenwerking beter organiseren?

Doe dan zeker een beroep op een medisch expert. Die informeert je graag.