Gunstregime voor schenking familiebedrijven
Reeds geruime tijd bestaat er in Vlaanderen een fiscale gunstregeling voor de schenking van familiale ondernemingen. Deze regeling werd intussen meerdere keren bijgeschaafd, de laatste keer met ingang van 1 januari 2026. Hoe ziet de regeling er momenteel uit, en waarop moet je letten?
Wat houdt het gunstregime voor schenkingen van familiale vennootschappen precies in?
Een familiale vennootschap is een vennootschap die als doel heeft om een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit of een vrij beroep uit te oefenen en waarvan de schenker samen met zijn familie eigenaar is. Met familie wordt bedoeld: de partner van de schenker, zijn (groot)ouders en (klein)kinderen en hun partners, zijn broers en zussen en hun partners en kinderen.
Heb je zo’n familiale vennootschap, dan kan je de aandelen daarvan onder bepaalde voorwaarden op een fiscaalvriendelijke manier aan je kinderen (of anderen) overdragen. Schenk je ze tijdens je leven, dan moet er geen schenkbelasting op de overdracht betaald worden. Erven je (klein)kinderen en/of je partner het bedrijf van jou, dan moeten ze daar in Vlaanderen slechts 3% erfbelasting op betalen (voor verdere familieleden of vreemden bedraagt het tarief 7%). Zonder toepassing van deze gunstregeling zou het tarief van de schenkbelasting voor je partner en (klein)kinderen 3% bedragen, en kan de erfbelasting tot 27% oplopen.
Welke voorwaarden gelden met betrekking tot het gunstregime?
Om onder de toepassing van dit gunstregime te vallen, moet je vennootschap aan bepaalde voorwaarden voldoen. Het moet onder andere gaan om een vennootschap met een reële economische activiteit. Daarom worden zuivere patrimoniumvennootschappen en managementvennootschappen door de Vlaamse Belastingdienst van het gunsttarief uitgesloten. Bovendien moet in principe 50% van de stemrechten die aan de aandelen van het bedrijf verbonden zijn, in volle eigendom in handen van de schenker/erflater en zijn naaste familie zijn.
Ook gedurende de eerste drie jaar na de overdracht moet aan bepaalde voorwaarden voldaan worden (onder andere moet een economische activiteit, het eigen vermogen en de zetel binnen de EER behouden blijven).
Opletten met onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning bestemd zijn.
Sinds 1 januari 2026 wordt vastgoed dat hoofdzakelijk tot bewoning aangewend wordt of bestemd is uitgesloten van het gunstregime, ook als het in de praktijk beroepsmatig gebruikt wordt (bijvoorbeeld een appartement dat als praktijkruimte gebruikt wordt). Een bedrijfsrevisor of gecertificeerde accountant moet een verslag opmaken om de verhouding tussen de waarde van het residentieel vastgoed en de totale waarde van de vennootschap te bepalen. Dat verslag moet gedateerd en ondertekend zijn voorafgaand aan de datum van de schenkingsakte (of aan de indiening van de aangifte van nalatenschap wanneer de aandelen via erfenis overgaan).
In familiale vennootschappen kan de verkoopwaarde van onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning bestemd zijn dus niet meer met toepassing van het gunstregime overgedragen worden. Op deze waarde moet 3% schenkbelasting betaald worden (bij een schenking aan je kinderen of echtgeno(o)t(e)).
Let op! Bij een schenking van een familiale vennootschap onder het gunstregime moet voortaan altijd een verslag van een bedrijfsrevisor of gecertificeerde accountant gevoegd worden, zelfs wanneer er geen residentieel vastgoed in de vennootschap aanwezig is!
Tip. Voorafgaand aan de schenking kan je aan de Vlaamse Belastingdienst een attest vragen waaruit blijkt dat aan de voorwaarden voor de toepassing van het gunstregime voldaan is. In dat attest worden ook de verkoopwaarde van de hoofdzakelijk tot bewoning bestemde onroerende goederen en de waarde van de schenken aandelen bevestigd. Zo worden discussies achteraf vermeden.
Wat met ‘gemengde’ panden?
Onroerende goederen worden soms ‘gemengd’ gebruikt, deels voor de economische activiteit van de vennootschap, deels voor privégebruik. Het kan bijvoorbeeld gaan om een woning van een dokter waarvan twee kamers als praktijkruimte en wachtzaal gebruikt worden, terwijl de rest van de woning privé gebruikt wordt. Of een onroerend goed waarvan een deel als winkel en een deel als woning gebruikt wordt.
In dat geval moet per (gedeelte van een) kadastraal perceel beoordeeld worden wat de bestemming van het onroerend goed is. Of een onroerend goed ‘hoofdzakelijk’ voor bewoning bestemd is, is een zogenaamde ‘feitenkwestie’ en zal uit het waarderingsverslag moeten blijken.
In de eerste plaats moet er dus rekening worden gehouden met de bestemming van het onroerend goed per kadastraal perceel, en in de tweede plaats met de specifieke feiten per gedeelte van het perceel. Vormt een deel van het kadastraal perceel een woning en een ander deel een beroepsmatig gebruikt onroerend goed, dan zou er een opsplitsing gemaakt kunnen worden, op voorwaarde dat beide delen afzonderlijk van elkaar kunnen opereren én dat dit ook afdoende gestaafd kan worden. Dit zal altijd een feitenkwestie zijn.
Kunnen beide delen niet afzonderlijk van elkaar opereren, bijvoorbeeld omdat het gebouw maar één ingang heeft, dan moet er gekeken worden naar de voornaamste bestemming van het onroerend goed. Gaat het bijvoorbeeld om een ruime woning waarvan een beperkt gedeelte als commerciële ruimte (bijvoorbeeld een winkel) of praktijkruimte gebruikt wordt, dan zal dat onroerend goed waarschijnlijk ‘hoofdzakelijk’ tot bewoning bestemd worden.
Gaat het daarentegen bijvoorbeeld om een zeer grote winkelruimte waarboven zich een klein appartement bevindt, dan zal er normaal gezien geen probleem zijn.
Enkele aandachtspunten
Vallen vastgoedvennootschappen nog onder het gunstregime?
Er wordt een uitzondering voorzien voor “familiale vennootschappen waarvan minstens 75% van de omzet voortkomt uit activiteiten met betrekking tot residentieel vastgoed” en die ook voldoen aan een tewerkstellingsvoorwaarde: de vennootschap moet in de drie jaar voor de schenking minstens één voltijdse werknemer in dienst hebben.
Met andere woorden: projectontwikkelaars en vennootschappen die op een actieve wijze residentieel vastgoed beheren, kunnen onder bepaalde voorwaarden toch genieten van het gunstregime. De Vlaamse regering erkent namelijk, in lijn met de recente rechtspraak, dat professionele vastgoedactiviteiten maatschappelijke meerwaarde en welvaart genereren en dus niet gelijkgesteld mogen worden met passieve patrimoniumvennootschappen (waarvoor het gunstregime niet van toepassing is).
Vallen landbouwgronden nog onder het gunstregime?
Landbouwgronden vallen nog altijd onder het gunstregime voor familiale bedrijven. Schenk je dus een familiale vennootschap waarin landbouwgronden zitten, dan moet op de waarde daarvan geen schenkbelasting betaald worden.
Vallen industrie- of nijverheidsgronden, die deel uitmaken van een industriepark, nog onder het gunstregime?
Industriegronden worden, net zoals landbouwgronden, niet beschouwd als onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning aangewend of bestemd zijn. Bevinden er zich op deze gronden evenwel onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning aangewend of bestemd zijn, dan zal het gedeelte van de verkoopwaarde van de aandelen dat de verkoopwaarde van dat residentieel vastgoed vertegenwoordigt, van het gunstregime uitgesloten zijn.
Vallen bouwgronden nog onder het gunstregime?
Bouwgronden worden voortaan van het gunstregime uitgesloten, ook wanneer ze voor bedrijfsgerelateerde doeleinden van de vennootschap gebruikt worden (tenzij het om een ‘vastgoedvennootschap’ gaat (zie hoger).
Meer weten over schenkingen of successieplanning?
Wil je meer weten over de mogelijkheden om je familiebedrijf met toepassing van het gunstregime naar de volgende generatie over te dragen, of heb je interesse in een volledige successieplanning, aarzel dan niet je SBB-adviseur te contacteren.