Vanaf vandaag is het lang aangekondigde stikstofdecreet een feit. In deze blog zetten we een aantal belangrijke zaken die je moet weten op een rijtje.

1.    Wat zijn de doelstellingen dit decreet?

Met dit decreet wil de Vlaamse overheid de stikstofdepositie op Europees beschermde natuur in habitatrichtlijngebieden (SBZ-H) terugdringen. Op die manier wil men de vooropgestelde instandhoudingsdoelstellingen voor deze gebieden tegen 2050 bereiken. In het decreet is hiervoor een tussentijdse doelstelling voorzien in 2030. Tegen dan moet t.o.v. 2015 de NOx-emissies met 45% en de NH3-emissies met 40,6% verminderd zijn.

Hiervoor zijn brongerichte maatregelen opgenomen om de N-emissie en N-depositie te verminderen: 

  • maatregelen beschreven in het luchtbeleidsplan voor NOx -bronnen
  • extra reductiemaatregelen in dit decreet voor veehouderijen (varkens, pluimvee en rundvee) en mestverwerkingsinstallaties 
  • invoeren van 2GVE-bemesting
  • aanpassingen aan het systeem van nutriëntenemissierechten
  • specifieke regels voor bedrijven met een hoge impact de zogenaamde piekbelasters
  • specifieke aandacht voor een aantal maatwerkgebieden

Verder zijn er ook beoordelingskaders voorzien om vergunningsaanvragen met mogelijke impact op zo´n habitatgebied te kunnen aftoetsen.

2.    Annulering van niet-ingevulde nutriëntenemissierechten (NER-D) vanaf 1 januari 2024

De Mestbank zal in de loop van dit jaar voor elke landbouwer die beschikt over NER-D nagaan of er sprake is van niet-ingevulde NER-D. Indien dit zo is, zullen deze geannuleerd worden vanaf 1 januari 2024. Op deze manier wil de overheid ervoor zorgen dat het totaal volume aan beschikbare NER nauwer aansluit bij de huidige omvang van de veestapel.

Hoe zal de berekening gebeuren?

Om de invulling van de rechten te berekenen, kijkt men naar het gebruik van deze rechten in de jaren 2020, 2021 en 2022. Van deze invulling neemt men het gemiddelde over die 3 jaren of het maximum als je legkippen houdt. Vervolgens passen ze een marge van 10% toe om fluctuaties bij het houden van dieren te kunnen opvangen. 

Deze berekening wordt niet toegepast op de NER-D die je verkreeg sinds 1 januari 2017,  de nutriëntenemissierechten mestverwerking (NER-MVW) of de tijdelijke nutriëntenrechten (T-NER) die je hebt.

Wanneer zal dit gebeuren?

In de loop van dit jaar zal je hierover een bericht krijgen. Dit zal uiterlijk op 1 september zijn. Let wel op, de annulering zal vanaf 1 januari 2024 van toepassing zijn.

Is er bezwaar mogelijk?

Ja, je kan tegen deze annulering in bezwaar gaan. Als je in overmachtssituatie zat in 2020, 2021 of 2022 omwille van bijvoorbeeld een dierenziekte of als je geïnvesteerd hebt in dierplaatsen sinds 1 januari 2017, kan je vragen om dat in rekening te brengen.

Is er een vergoeding voorzien voor deze annulering?

Ja, maar enkel voor het gedeelte van de NER-D die je verworven hebt na 2007. De vergoeding bedraagt 1 euro per geannuleerde NER-D.

3.    Vanaf vandaag nieuwe, aangepaste overdrachtsregels voor nutriëntenemissierechten

De overdrachtsregels voor NER-D tussen landbouwers zijn ook aangepast. Bij de overdracht van NER-D tussen landbouwers is er een reductie van 25%. Vanaf nu is enkel een familiale overdracht vrijgesteld van deze reductie. Een jonge startende landbouwer zonder familiale band kan hier geen gebruik meer van maken. Ook is er geen mogelijkheid meer om die 25% van de NER-D nog te behouden mits te voldoen aan een verwerkingsplicht.

Wat verstaat men nu onder een familiale overdracht?

  • Een overdracht tussen echtgenoten
  • Een overdracht tussen bloed- of aanverwanten in rechte lijn
  • Overdracht naar een vennootschap of tussen vennootschappen waarbij er familiale aanhouders en bestuurders zijn 
  • Overdracht vanuit een vennootschap naar familiale bestuurder of aandeelhouder

Ook een wijziging van vennoten, bestuurders of aandeelhouders in een bestaande vennootschap met NER-D die niet voldoen aan de regels van een familiale band wordt vanaf nu aanzien als een overdracht van NER-D.

4.    Verscherpte regels over het emissiearm aanwenden van mest

Als je vloeibare dierlijke of andere meststoffen (de zogenaamde ‘type 2’ meststoffen) toedient op niet-beteelde landbouwgronden moet de mest vanaf nu altijd onmiddellijk ingewerkt worden of via mestinjectie in de bodem gebracht worden.

Ook ureumhoudende kunstmeststoffen moeten voortaan onmiddellijk ingewerkt worden. Alternatieven zijn toedienen via injectie of gebruikmaken van ureaseremmers.

Wat is ‘onmiddellijk’?

Onmiddellijk betekent dat het spreiden en inwerken van de meststoffen ofwel in één werkgang gebeurt, ofwel met twee vervoerscombinaties. Dat wil zeggen dat op hetzelfde perceel al een tweede vervoerscombinatie aanwezig is bij de start van het spreiden van de meststoffen, zodat onmiddellijk gestart kan worden met het onderwerken van de meststoffen nadat de eerste mesttank leeg is.

De Mestbank heeft aangekondigd dat ze in de eerste maanden sensibiliserend zal optreden omdat dit een nieuwe maatregel is.

Wat met grasland en beteelde landbouwgronden?

Bij bemesting op grasland worden dierlijke en andere meststoffen zo emissiearm mogelijk toegediend via zode-injectie, zodenbemester of sleufkouter. Tot 1 januari 2028 kan dat ook nog met sleepslangtechniek. Op grasland dat gescheurd zal worden, moeten de meststoffen ook direct ingewerkt worden na het spreiden. Op beteelde landbouwgronden die geen grasland zijn, kunnen de meststoffen aangewend worden met mestinjectie, zodenbemester, sleufkouter of sleepslangtechniek.

5.    Versnelde invoering 2GVE-norm voor bemesting bestaande groene bestemmingen die in SBZ-H liggen tegen 2028

Met het stikstofdecreet wordt er ook een versnelde stopzetting van de ontheffing op de 2GVE-norm in groene gebieden overlappend met SBZ-H voorzien. De uitzondering voor een huiskavel blijft wel behouden. De ontheffing voor andere groene bestemmingen die niet overlappen met SBZ-H blijft onveranderd. Er wordt geen 2GVE-norm ingevoerd in VEN-gebieden.

De Mestbank zal hiervoor alle betrokken landbouwers individueel hierover inlichten aan de hand van de situatie op 1 januari 2024 (welke percelen, flankerend beleid, aanvraagprocedure, …).

Er is een flankerend beleid voorzien dat bestaat uit:

  •  een compensatievergoeding (van 12.500 euro per ha voor percelen met een bemestingsverbod dat ingaat op 1 januari 2028; er zijn hogere vergoedingen als je zelf vrijwillig dit bemestingsverbod al vroeger wil toepassen
  • een bijkomende vergoeding voor terreininvesteringen
  • een specifiek flankerend beleid voor landbouwers waarvan op meer dan 20% van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, een verruimde of versnelde invloed van het bemestingsverbod van toepassing is

Wie reeds in 2024 overschakelt naar 2GVE-norm kan gebruik maken van een verhoogd flankerend beleid van 15.000 euro per ha. Je mag die percelen dan uiteraard niet meer bemesten in 2024. Enkel begrazing tot 2GVE/ha op jaarbasis is toegestaan.

6.    Bronmaatregelen voor varkens-, pluimvee- en rundveebedrijven

Voor varkens- en pluimveebedrijven is een ammoniakemissiereductie voorzien van 60% t.o.v. ammoniakemissies in referentiesituatie 2021, voor dieren die gehouden werden in een niet-AEA stal. 

Voor rundveehouderijen voorziet het stikstofdecreet in 2 reductiemaatregelen. 

  • tegen einde 2025 moet elke rundveehouder een reductie van 5% toepassen t.o.v. 2021
  • tegen einde 2030 moet er t.o.v. 2021 een reductie zijn van 
    • 0% voor vleesvee
    • -25% voor melkvee
    • -28% voor mestkalveren

Om die doelstellingen te vertalen naar bedrijfsniveau moet voor elke varkens-, pluimvee of rundveehouderij, die op datum van inwerkingtreding van het decreet vergund is, een PAS-referentie 2030 berekend worden. Dit zal gebeuren op basis van de gemiddelde veebezetting in 2021 en door de algemene reductiedoelstellingen te vertalen op bedrijfsniveau.

De PAS-referentie 2030 geeft voor elke varkens-, pluimvee- of rundveehouderij de maximale ammoniakemissie weer die tegen 31 december 2030 nog mag plaatsvinden. Om de PAS-referentie 2030 te bereiken, heeft een veehouderij de keuze tussen een vermindering van het dierenaantal, het toepassen van ammoniakemissiereducerende maatregelen of een combinatie van beide. 

Een exploitant kan een afwijkende berekeningsmethode voor de PAS-referentie 2030 vragen als er geïnvesteerd werd in dierplaatsen sinds 2017 of als er in 2021 een overmachtssituatie was.

Bedrijven die aan één van onderstaande voorwaarden voldoen, kunnen een vrijstelling bekomen van deze maatregelen:

  1. veehouderijen met een jaaremissie < 500 kg NH3 en een impactscore ≤ 0,025% in 2024
  2. biologische bedrijven met een impactscore ≤ 1% in 2024

7.    Brongerichte maatregelen voor mestverwerkingsinstallaties

De mestverwerkingsinstallaties, hier beperkt tot de verwerkingen die vergund zijn in de rubrieken 28.3, c), of 28.5 van de indelingslijst met een vergunde mestverwerkingscapaciteit van minstens 40.000 ton/jaar, en die andere activiteiten hebben dan uitsluitend mestscheiding of de biologische behandeling van de dunne fractie, moeten minstens een reductie van de ammoniakemissie met 30% realiseren ten opzichte van de ammoniakemissie van de mestverwerkingsinstallaties in 2015.

8.    Maatwerkgebieden

Voor specifieke maatwerkgebieden volstaan de generieke bronmaatregelen niet om de 2030-doelstelling te behalen. Voor die gebieden worden inrichtingsnota’s opgemaakt met inrichtingsmaatregelen en flankerende maatregelen op maat van het gebied.

9.    Piekbelasters

Piekbelasters zijn bedrijven met een hoge impact op habitatrichtlijngebieden. De aanduiding van piekbelasters wordt gebaseerd op de emissies in de jaren 2020-2021-2022 rekening houdende met de gemiddelde veebezetting voor die jaren. Voor die drie jaren worden impactscores berekend. Als minimaal twee van de drie berekende impactscores hoger zijn dan of gelijk aan 50%, dan wordt het bedrijf als piekbelaster beschouwd.

Zij kunnen hun activiteiten verderzetten, maar moeten hun emissies verminderen tegen eind 2030 en hun impactscore tot onder de 50% brengen. 

10.    Aangepaste beoordelingskaders van de stikstofimpact op SBZ-H voor vergunningverlening

In het stikstofdecreet zijn 3 beoordelingskaders voor vergunningverlening opgenomen:

  • kader voor (industriële) projecten met NOx- uitstoot
  • kader voor mobiliteitsgerelateerde projecten met NOx- uitstoot
  • kader voor veehouderijen en mestverwerkingsinstallaties

In de drie gevallen is er een drempelwaarde opgenomen waarboven een passende beoordeling vereist is. Verder is het voor rundvee-, varkens- en pluimveehouderijen ook mogelijk om een tijdelijke vergunning te krijgen. Naast impact op SBZ-H moet je echter ook steeds rekening houden met andere aspecten zoals geur of impact op VEN.

Het stikstofdecreet is van toepassing op álle aanvragen:

  • zowel de aanvragen die na de inwerkingtreding van het decreet worden ingediend 
  • maar ook op de aanvragen die nog lopende zijn en waar nog geen beslissing in viel

11.    Steunmaatregelen

Om de PAS-referentie 2030 te bereiken, heeft een veehouderij de keuze tussen een vermindering van het dierenaantal, het toepassen van ammoniakemissiereducerende maatregelen of een combinatie van beide. De Vlaamse overheid biedt via het VLIF financiële ondersteuning aan veehouders die investeringen uitvoeren om hun ammoniakemissie te doen dalen.

De toegangsvoorwaarden tot VLIF-investeringssteun zijn sinds 2023 versoepeld. Samengevat komt het erop neer dat je moet voldoen aan de voorwaarde van actieve landbouwer met een minimum standaardverdiencapaciteit van 20.000 euro. Voor vennootschappen moeten alle zaakvoerders bijkomend natuurlijke personen zijn. 

Het VLIF maakt een belangrijk onderscheid tussen investeringen die worden uitgevoerd aan bestaande stallen enerzijds en nieuwbouw anderzijds. Nieuwbouw wordt in deze context gedefinieerd als zijnde vergund na 1 januari 2023.

Voor nieuwe rundvee, pluimvee en varkensstallen, waar ammoniak-reducerende technieken toegepast worden, geldt een steunpercentage voor de hele stal (dus niet enkel op de investeringen gericht op de emissiereductie) van 40%. In geval van een actieve landbouwer waarbij tenminste één bedrijfsleider een jonge landbouwer is, wordt dat opgetrokken tot 65%. Een jonge landbouwer is jonger dan 40 jaar op 1 januari van het jaar van de steunaanvraag.

Voor ammoniakemissie reducerende investeringen in de veehouderij in bestaande stallen geldt een maximaal steunpercentage van 80%.

Deze VLIF-steun wordt aangevraagd via een aparte tegel op het E-loket en telt niet mee voor het plafond van maximaal 300.000 euro VLIF-steun in de periode tot 2027. De toepassing geeft zelf aan voor welke investeringen je de bijhorende vergunning dient op te laden. In de huidige VLIF-reglementering is het namelijk zo dat de vergunning er moet zijn van bij de start van de aanvraag.

We willen erop wijzen dat ondanks de publicatie van het decreet, nog niet alles duidelijk is. Voor een aantal zaken zijn er nog uitvoeringsbesluiten en verdere uitwerking noodzakelijk. Mogelijks worden er ook nog juridische stappen ondernomen tegen het decreet.