Vergunning en vrijstelling: belangrijk aandachtspunt in het kader van VLIF-steun!
Vergunning en vrijstelling: belangrijk aandachtspunt in het kader van VLIF-steun!
Heb ik een aangepaste vergunning nodig om VLIF-steun te krijgen voor een thuisbatterij of een mestrobot? Riskeer ik mijn steun te mislopen als mijn stal niet volledig is uitgevoerd zoals vergund, of als er op mijn bedrijf, of op één van de exploitaties ervan, tijdelijk meer dieren staan dan vergund? Het zijn vragen die landbouwers ons geregeld stellen. Hoog tijd dus om alles even op een rij te zetten, want het vernieuwde Vrijstellingenbesluit brengt bijkomende risico’s met zich mee.
Algemene vereisten in het kader van VLIF
Voor VLIF-aanvragen voor productieve investeringen en voor Ammoniak Emissie Reducerende Investeringen (AERI) geldt als algemene regel dat het bedrijf over een geldige omgevingsvergunning moet beschikken. Is een bedrijf niet correct vergund, dan houdt het VLIF daar rekening mee bij de beoordeling van zowel de steun- als de betaalaanvraag. Het VLIF kan zich daarbij ook baseren op de vaststellingen van andere bevoegde instanties, zoals de handhavingsdiensten.
Vereist de geplande investering een bijkomende vergunning – of dat nu het stedenbouwkundige luik of het milieuluik betreft – dan moet je die aangepaste vergunning aanvragen én verkrijgen vóór je de steunaanvraag indient. Een vergunningsplichtige investering die op dat moment nog niet in de vergunning is opgenomen, komt immers niet in aanmerking voor subsidiëring. Hetzelfde geldt voor AEA- of PAS-systemen: ook die moeten uitdrukkelijk in de vergunning vermeld staan.
In een tweede fase telt dat de investering ook effectief wordt uitgevoerd zoals vergund. Het VLIF gaat dit na bij de betalingsaanvraag. Wijkt de uitvoering toch af van de omgevingsvergunning, dan moet die afwijking uiterlijk op het moment van de betalingsaanvraag geregulariseerd zijn.
Voor AEA-systemen geldt een uitzondering: die moeten al van bij de steunaanvraag correct in de vergunning staan. Voer je een ander AER-systeem uit dan oorspronkelijk in de omgevingsvergunning bij de steunaanvraag was opgenomen, dan kan er géén steun worden uitbetaald. In dat geval moet je, ná het verkrijgen van de aangepaste omgevingsvergunning, een nieuwe steunaanvraag indienen – en dat kan enkel zolang de investering nog niet gestart is.
Het Vrijstellingenbesluit als spelbreker?
De eerste vraag is dus altijd of een investering vergunningsplichtig is, en dat zowel op stedenbouwkundig als op milieutechnisch vlak. Net daar zorgt het Vrijstellingenbesluit voor heel wat verwarring op het terrein: sinds 1 maart 2026 zijn een aantal stedenbouwkundige handelingen bijkomend vrijgesteld van vergunning. Aan elke vrijstelling hangen immers heel wat voorwaarden vast. Zo kun je een constructie bij een landbouwbedrijf, denk bijvoorbeeld aan een thuisbatterij, enkel vergunningsvrij plaatsen als ze binnen een straal van 30 meter van een vergund gebouw staat én als alle vergunningsvrije constructies samen niet groter zijn dan 100 m². Bovendien kan voor een stedenbouwkundig vrijgestelde handeling, zoals een vul- en spoelplaats of een pocketvergister, alsnog een vergunning nodig zijn omwille van de milieuaspecten die ermee gepaard kunnen gaan.
Bij de betalingsaanvraag gaat het VLIF ook na of de vergunning correct en conform werd uitgevoerd. In de praktijk is een afwijking ten opzichte van de verleende vergunning soms snel gebeurd: de inplanting verschuift, er komt een extra raam in de gevel van de stal, enzovoort. Ook hier kan het Vrijstellingenbesluit roet in het eten gooien. Sinds 1 maart 2026 zijn handelingen aan gevels en daken van gebouwen immers vrijgesteld van vergunning, maar opnieuw onder voorwaarden: de energieprestatie van het gebouw mag niet verslechteren en het fysieke bouwvolume mag niet wijzigen. Zijn die voorwaarden niet vervuld, dan is er alsnog een vergunning vereist. Wie tijdens de werken dus afwijkt van de verleende vergunning, gaat met het oog op een eventuele VLIF-aanvraag best na of een aanpassing van de vergunning of een regularisatievergunning nodig is.
Conclusie
Een correcte vergunning is voor je bedrijf dus een absolute must. Drie tips om op de goede weg te blijven:
- Ga er niet te snel van uit dat je investeringen of werken zijn vrijgesteld van vergunning.
- Vraag voor elke vergunningsplichtige investering steeds tijdig een vergunning aan.
- Zorg er ook voor dat die investeringen en werken effectief conform de verleende vergunning worden uitgevoerd.
Heb je vragen over VLIF-steun of je omgevingsvergunning? Bij SBB kan je terecht voor advies en begeleiding bij je dossier.
Heb je vragen over VLIF-steun of je omgevingsvergunning?
Bij SBB kan je terecht voor advies en begeleiding bij je dossier.