Selecteer uw kantoor uit onderstaande lijst

Op basis van uw locatie selecteerden wij ons kantoor in . Wijzigen? Zoek SBB-kantoor.

Definitieve btw-regels in verband met (voorschot)facturen gepubliceerd

Gepubliceerd op 13-11-14

De regels in verband met de "opeisbaarheid" van btw bepalen wanneer de uitgereikte en ontvangen facturen in de btw-aangifte mogen worden opgenomen. Onder de nieuwe regels, die vanaf 1 januari 2015 definitief in werking treden, is het niet langer correct om zich hiervoor op de factuurdatum te baseren. Gezien de praktische moeilijkheden die deze nieuwe regels met zich meebrengen, heeft de btw-administratie echter voorzien in specifieke toleranties.

Factuurdatum is geen tijdstip van opeisbaarheid meer

Het grote verschil met de oude regeling schuilt erin dat de factuurdatum niet langer als referentiepunt dient om te bepalen in welke btw-aangifte men zijn aan- en verkoopfacturen moet opnemen. De zogenaamde "opeisbaarheid" van de btw zal volledig afhangen van de datum van de levering/dienstprestatie of van de ontvangst van de betaling, afhankelijk van wat eerst in de tijd plaatsvindt.

Vanaf 1 januari 2015 wordt de btw namelijk opeisbaar ofwel op het moment dat de levering of dienstprestatie heeft plaatsgevonden, ofwel wanneer de leverancier of dienstverrichter een betaling ontvangt van zijn klant (een voorschot of het volledige bedrag). Het feit dat men zich niet meer op de factuurdatum mag baseren is van belang, aangezien men de betaalde btw niet te vroeg mag terugvragen.

Specifieke regeling omtrent voorschotfacturen

Een factuur moet sinds 2013 naast de factuurdatum eveneens de datum van opeisbaarheid vermelden. Zo niet, is er geen sprake van een conforme factuur. Probleem is natuurlijk dat men bij de opmaak van een voorschotfactuur vaak niet weet wanneer de prestatie zal plaatsvinden of wanneer men een betaling zal ontvangen.

De btw-administratie staat nu echter toe om enkel de factuurdatum te vermelden indien het belastbaar feit (de levering of dienstprestatie) binnen de 7 dagen plaatsvindt. Is dit niet het geval, dan is er nog sprake van een conforme factuur wanneer de voorschotfactuur hetzij de geraamde betalingsdatum of de (overeengekomen) ultieme betalingsdatum vermeldt, hetzij en indien eerder, de geraamde of geplande datum van het belastbaar feit. Indien achteraf blijkt dat de vermoedelijke datum van opeisbaarheid niet klopt, dan dient hiervoor geen verbeterend stuk te worden opgemaakt.

De leverancier of dienstverrichter moet deze factuur normaal gezien opnemen in de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin de btw opeisbaar is geworden (ingevolge het ontvangen van een betaling ofwel het zich voordoen van het belastbaar feit). Hij heeft echter de keuze om de btw te vroeg te rapporteren en alsnog af te dragen op basis van de factuurdatum.

Er wordt ook expliciet toegestaan dat de klant, die in het bezit is van de voorschotfactuur, zijn eventueel recht op aftrek al kan uitoefenen in de btw-aangifte met betrekking tot de maand/kwartaal waarin de voorschotfactuur werd uitgereikt, los van de betaling of levering.

Nieuw is dat de klant vervolgens wel beschikt over een "windowperiode" van drie maanden vanaf het einde van de maand waarin de voorschotfactuur werd uitgereikt om het bewijs van de opeisbaarheid te kunnen aanleveren. Indien blijkt de btw binnen deze drie maanden opeisbaar is geworden, hoeft men niets te regulariseren. Blijkt echter dat gedurende deze drie maanden de btw niet opeisbaar is geworden (geen betaling noch belastbaar feit), zal men de in aftrek genomen btw moeten terugbetalen (via rooster 61).

Wanneer de btw toch opeisbaar wordt nadat de regularisatie is gebeurd, kan de btw alsnog worden gerecupereerd door opname van het btw-bedrag in rooster 62 van de btw-aangifte m.b.t. de periode waarin de btw opeisbaar is geworden.

Een praktisch voorbeeldje...

Een belastingplichtige klant is een kwartaalindiener en ontvangt een voorschotfactuur met als datum 10 maart 2015. De btw die op deze factuur vermeld staat, mag hij in aftrek nemen in zijn btw-aangifte met betrekking tot het eerste kwartaal, in te dienen uiterlijk op 20 april 2015.

Hij moet echter opvolgen of gedurende de 3 maanden "windowperiode" de btw met betrekking tot deze factuur opeisbaar is geworden. Wanneer uiterlijk op het einde van het tweede kwartaal (30 juni 2015) de btw niet opeisbaar is geworden, moet de btw worden teruggestort via de aangifte met betrekking tot het tweede kwartaal, in te dienen uiterlijk op 20 juli 2015 (tenzij de vakantieregeling van toepassing is).

Bijzondere regels voor "btw medecontractant" en intracommunautaire handelingen

Bovenstaande regels gelden enkel voor de lokale handelingen met Belgische btw. Voor de leveringen van goederen en diensten waarvoor een verlegging van btw bestaat (bv. bij werk in onroerende staat voor een btw-plichtige ontvanger), geldt een vergelijkbare tolerantie. Het verschil is wel dat hier geen "windowperiode" van toepassing is. De btw-plichtige klant heeft hier eveneens de keuze om de factuur te vroeg op de te nemen in de btw-aangifte en de btw dan ook te vroeg te voldoen. Er wordt hem echter expliciet ook onmiddellijk het recht op btw-teruggave toegestaan, ook al is de btw nog niet opeisbaar.

Voor de intracommunautaire transacties bestaan er wegens het grensoverschrijdend karakter echter geen specifieke toleranties in hoofde van de leverancier of dienstverrichter. In hoofde van de klant wordt er wel toegestaan om de intracommunautaire verwervingen (aankoop van goederen in een andere EU-lidstaat) op te nemen in de btw-aangifte voor de maand/kwartaal waarin de (voorschot)factuur wordt uitgereikt.

Besluit

Na een lange periode van onzekerheid staat het nu vast dat de nieuwe regels vanaf 1 januari 2015 in werking zullen treden. Hoewel men naar een "praktische" oplossing heeft gezocht, via een reeks van toleranties, zullen deze regels toch een zekere administratieve opvolging vergen in hoofde van de klant. Men moet ook de nodige regularisaties doorvoeren wanneer de btw uiteindelijk niet opeisbaar wordt gedurende de windowperiode.

Bovendien zal men systematisch op zijn voorschotfacturen de vermoedelijke of ultieme betalingdatum moeten vermelden of de vermoedelijke datum van opeisbaarheid.

Tenslotte heeft de leverancier/ dienstverrichter ook de keuze om zijn verkopenpas te rapporteren in de btw-aangifte met betrekking tot de periode van incassering van de betaling of levering/uitvoering dienstprestatie. Ook dit zal de nodige aanpassingen vergen van zijn rapporteringsproces aangezien de meeste systemen rekening houden met de factuurdatum.

UPDATE 02/01/2015
Op 25 november 2014 publiceerde de btw-administratie een nieuwe beslissing waarin zij aangeeft dat ze zich soepel zal opstellen tot 30 juni 2015 voor ondernemingen die nog niet in staat zijn hun computersystemen aan te passen aan de nieuwe regels. Tot midden 2015 kan dan ook nog de oude regeling worden toegepast.

 

Leslie

Leslie

fiscaal adviseur

Praktijkgidsen

Praktijkgidsen

Wij krijgen elke dag vragen van klanten die voor belangrijke investeringsbeslissingen staan. Om hen wegwijs te maken in de vaak complexe wetgeving waarmee ze geconfronteerd worden, heeft ons kenniscentrum een aantal praktijkgidsen uitgewerkt die u wellicht zullen interesseren. U kan ze gratis downloaden.

 

Bekijk alle praktijkgidsen
Schrijf u in op de nieuwsbrief en blijf steeds op de hoogte van veranderingen in uw sector
Bedankt voor uw inschrijving.